Bekijk de korte filmimpressie van deze dag, die werd georganiseerd door Macropak, het NVC en VerpakkingsManagement
Ruim 100 mensen bezochten op 13 februari jl. de Nationale Verpakkingsconferentie in Utrecht. Hoewel het ochtendprogramma in het teken van innovatie stond, leek achteraf het zwaartepunt toch op afval, recycling en biobased verpakken te liggen.
Na een korte inleiding van dagvoorzitter Charles Groenhuijsen startten Lienemijn Verploeg van HAK en Ton van Veen van Plato product consultants de conferentie. Zij blikten terug op de succesvolle introductie van de 1-2-open deksel. Deze eenvoudig te openen stalen deksel won in 2006 de Nederlandse Designprijs en trok daarmee de aandacht van Crown. De blikproducent maakte het concept productierijp en HAK bracht het vorig jaar op de markt met haar appelmoespotten. Volgens Verploeg is de overstap naar de nieuwe deksel een ingrijpende verandering geweest. ‘We hebben de hele keten moeten doorlopen om zeker te zijn dat de nieuwe deksel niet van invloed is op de kwaliteit en de productiecapaciteit. Alles werd onder de loep genomen; uitvalpercentages, lijnsnelheden, pasteurisatie, voedselveiligheid, hersluitbaarheid, et cetera.
|
|
Vervolgens zijn we gestart met appelmoes, waarbij we de verpakking als communicatiemiddel hebben gebruikt. De gele HAK-deksel hebben we paars gekleurd en op het etiket maken we melding van de deksel.’ ‘De deksel is een groot succes’, aldus Verploeg. ‘Via onze site kregen we vorig jaar al ruim 3.000 positieve r eacties binnen en ook Plato ontving positieve reacties, dat is bijzonder als consumenten ook de uitvinders zoeken en belonen.’ Op de vraag van Groenhuijsen of bijvoorbeeld C1000 ook gebruik mag maken van de innovatie, antwoordde Van Veen dat dat voorlopig niet het geval zal zijn. ‘HAK heeft haar nek uitgestoken en heeft nu voorlopig exclusiviteit gekregen.’ ‘Retail is detail’ Op de Nationale Verpakkingsconferentie spraken Karel-Jan van den Hoven, hoofd eigen merken bij C1000, en Dick Bais van GetPact over de nieuwe AGF-verpakkingen van het C1000 merk. ‘Huismerken zijn belangrijk voor de binding met de klant en ze bieden meer marge dan A-merken’, zei Van den Hoven. Al vier jaar geleden is C1000 begonnen met de architectuur. Er werd nagedacht over hoe het assortiment eigen merken zou moeten worden opgebouwd. In totaal zijn er nu meer dan 5.000 huismerkartikelen. C1000 heeft bij het ontwikkelen van de nieuwe verpakkingen sterk de nadruk gelegd op segmentatie en kleurcodes. De consument moet worden geholpen bij de navigatie door het schap. Daarbij speelt kleur een grote rol. Naast het C1000-logo en de gekleurde band is de fotografie van het oorspronkelijke product van belang. Wat echter in de nieuwe verpakking opvalt, is - naast het gedurfde design voor deze categorie - ook de hoge drukkwaliteit. ‘Want’, zei Van den Hoven,‘retail is detail.’ Voor de introductie werd Dick Bais van GetPact ingeschakeld om met drukkers te gaan praten en te kijken wat C1000 wilde met het AGF huismerk druktechnisch ook mogelijk zou zijn en welke consequenties dat zou hebben. Hij deed technische verkenningen en inventariseerde wat het zou gaan kosten en keek naar de druktechniek, de materialen, de imprint en wat het effect zou zijn op de organisatie van de toeleverancier. Bais: ‘Wat betekent zo’n stap, dat is de vraag die ik wilde beantwoorden. Kunnen leveranciers de kwaliteit blijven halen met de techniek die ze in huis hebben? Hoe gaan ze het organiseren? Voor de toeleverancier maakt het nogal verschil of je afvult in transparante folie of in een bedrukte folie, waarbij de afsnede nauw luistert.’ Op de Nationale Verpakkingsconferentie vertelden Van den Hoven en Bais alle ins en outs, maar niet hoeveel groei de nieuwe aanpak heeft gebracht. Dat blijft het geheim van C1000. Wel wilde Van den Hoven kwijt dat bij C1000 het uitgangspunt voor duurzaam verpakken altijd minder (materiaal), beter (herbruikbare materialen) en makkelijker is. 300 seconden Twee korte presentaties van Jos Oostendorp van Eastgreen en Roelof van der Meer van BASF sloten de ochtendsessie af. Zij werden ingeleid door Arend-Jan Majoor van Frismakers, een organisatiebureau voor kortdurende presentatiebijeenkomsten, die uitleg gaf over hun ‘300 seconden concept’, een manier om in korte tijd een presentatie te geven, en die te filmen en online verder te verspreiden. Jos Oostendorp vertelde het publiek hoe hij voor de SABMiller brouwerijen een forse gewichtsbesparing van 20% heeft kunnen realiseren op kroonkurken. Verrassend was het feit dat het hier niet zozeer om een innovatie ging, maar meer om een ketenmanagementtraject. ‘De dunnere staalplaten en technieken waren al enige tijd voorradig, alleen was het lastig om alle spelers uit de hele keten zover te krijgen dat ze de stap durfden te maken. Daarnaast heeft het gebruik van LCA als ontwerptool een belangrijke rol gespeeld.’ Roelof van der Meer van BASF gaf een presentatie van vijf slides in vijf minuten over het functionele additief Joncryl, dat het mogelijk maakt om PET met veel minder energie te produceren en dat een productie in één in plaats van twee stappen mogelijk maakt. Ook Van der Meer benadrukte dat er samenwerking nodig is om zo’n innovatie te bewerkstelligen en dat het belangrijk is dat iedere schakel zich flexibel opstelt. Ketenkennis ‘Kennis van de keten begint met daadwerkelijk weten wat er met je afval gebeurt’, was de boodschap van Alexander Lange van afvalverwerker Milgro. Als voorbeeld haalde hij een pilotonderzoek aan naar koffiebekers bij de overheid. ‘Hier dacht men dat een groot deel van de kunststof bekers gescheiden werd ingezameld, maar na onderzoek - onder andere zelf met de handen het afval sorteren - bleek in werkelijkheid dat een groot deel van de bekers met het restafval meeging.’ Vervolgens schetste Joke van Cuyck van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) een beeld van de afvalverwerking in Vlaanderen, waar onder andere thuiscomposteren en kippen worden ingezet voor lokale afvalverwerking bij de consument thuis. Daarnaast doet OVAM momenteel onderzoek naar voedselverspilling in relatie tot verpakken. ‘Wij zijn er van overtuigd dat door ketenoverleg er nog veel te verbeteren valt.’ Europese verschillen Joachim Quoden gaf een presentatie over de Europese recyclingsystemen. Quoden was tot voor kort werkzaam voor Pro Europe, de koepel van Europese uitvoeringsorganisaties van producentverantwoordelijkheid. Zijn relaas was kritisch. Hij verbaast zich erover dat de bekende ‘directive’ uit Brussel, die voor alle EU-landen geldt, tot zoveel verschillende systemen heeft geleid. Quoden wist het met enige humor te brengen, maar het geeft toch te denken. Quoden liet de verschillende modellen de revue passeren, van de duale systemen in Duitsland en Oostenrijk (handel en industrie verantwoordelijk, werken samen met lokale afvoerbedrijven via het gedeelde Franse model (industrie betaalt, maar deelt verantwoordelijkheid met gemeenten), tot uiteraard een uniek Brits systeem waarbij de verantwoordelijk is verdeeld over alle ketenschakels. Hij hoefde voor de Nederlandse toehoorders uiteraard niet het Nederlandse systeem uit te leggen. Quoden verbaast zich erover dat de 12 ‘oude’ lidstaten allemaal verschillende doelstellingen hebben, waardoor een benchmark niet mogelijk is. Ieder systeem heeft ook verschillende kosten. Volgens Quoden is het vooral voor het MKB lastig, omdat de definitie van wat een verpakking is al moeilijk ligt in Europa. ‘27 landen worden het niet eens over de vraag of de koker van de toiletrol een verpakking is of niet.’ Mogelijkheden voor biobased De Deense Bodil Pallesen van Agrotech zorgde aan het einde van de dag voor een stortvloed aan slides over biobased verpakken, waarbij ze inging op biobased grondstoffen en bioafbreekbare verpakkingen. Ze benadrukte dat een hernieuwbare grondstof niet per definitie betekent dat de verpakking ook bioafbreekbaar is. Pallesen ziet een grote toekomst voor biobased plastics in combinatie met natuurlijke vezels. Ze toonde de ambitieuze Deense plannen. In 2050 moet daar de energie 100% hernieuwbaar zijn (wind, zon, waterkracht, biomassa), maar ze vroeg zich af of dat ook echt haalbaar zal zijn. Wat bleef hangen was vooral het beeld dat de bio-economie steeds belangrijker wordt. |